HEEMKUNDEKRING "DE HOOGE DORPEN"

Archeologie

Onze archeologische werkgroep houdt zich bezig met vragen zoals:

  • Waar wordt er gebouwd in onze gemeente?
  • Is er getoetst of op deze plek een archeologisch bodemonderzoek moet plaatsvinden?
  • Waar leiden de resultaten van het bureauonderzoek, boren, proefsleuvenonderzoek en archeologisch onderzoek toe?
  • Welke panden zijn monumenten en welke niet? Hoe kunnen panden behouden blijven?
 

Erfgoedgeowiki

Het hierna vermelde is afkomstig uit onze eigen uitgaven van
Erfgoedgeowiki (uitgegeven op op 4 maart 2014). Dit boekje is samengesteld door
leden van onze heemkundevereniging en geeft een beeld van de historie van de
Hooge Dorpen – Vessem, Wintelre en Knegsel. Bij de publicaties is deze uitgaven
ook te vinden en bestellen (Boeken).

Inhoudsopgave

Bodem en Landschap

Na de laatste ijstijd krijgt het landschap in Vessem zijn huidige vorm als het klimaat milder wordt en er ook bosvegetatie mogelijk is. In de laagten vormen zich de vennen zoals bijvoorbeeld het Groot- en Kleinmeer. Kleine riviertjes zoals de Kleine Beerze kronkelen tussen de hogere dekzandruggen.

De bodem geeft via ‘kijkgaatjes’, zoals in het Vessemse geologisch monument, het verhaal prijs van wat er in en na de ijstijden gebeurde. Zonder dat wij daar last van hebben, is de Vessemse bodem in tweeën verdeeld door de Breuk van Vessem. Door afzettingen van latere bodemlagen is de breuk niet zichtbaar op het maaiveld. Wel beïnvloedt de breuk de afwatering.

Afzettingen van leem hebben plaatsgevonden in het dal van de Kleine Beerze, op andere plaatsen treffen we dekzanden aan. De jongste dekzanden zijn afgezet in de tijd van de plaggenlandbouw en ook in de late Middeleeuwen en in de 18de /19de eeuw wordt er nog stuifzand afgezet. Deze stuifzanden onderscheiden zich van de dekzanden door hun lossere structuur en door het ontbreken van een bodemprofiel. Een goed voorbeeld van deze stuifzanden kan nog worden waargenomen in de bospercelen langs de Lille. Rond 1900 zijn er in de toenmalige gemeente Vessem c.a. nog 33 vennen met een eigen naam. Ze zijn  allemaal ontstaan door uitstuiving van de bodem tijdens de laatste ijstijd. Het landschap heeft na de laatste ijstijd door de stijgende temperatuur langzaam zijn nieuwe vorm gekregen. Aanvankelijk is het nog een toendragebied waarin de eerste jagers en verzamelaars rondtrekken. Later ontstaan er ook bossen en vestigen zich de eerste landbouwers. Anno 2014 zijn er nog twee vennen over: het Grootmeer en het Kleinmeer. 

Vanwege de bijzondere plantengroei door de aanvoer van kalkrijk water uit het nabijgelegen waterwinningsgebied zijn deze vennen en het gebied er om  een aangewezen als beschermd natuurmonument. De van nature meanderende en op sommige plaatsen zeer brede Kleine Beerze is al voor 1850  echtgetrokken en tijdens de periode van de ruilverkaveling tussen 1960 en 1970 nog eens extra verdiept en verbreed. Dit om een snelle waterafvoer mogelijk  te maken. De opvatting, snelle afvoer van water, heeft inmiddels het veld moeten ruimen voor de opvatting dat veel water bovenstrooms moet  worden vastgehouden om de wateroverlast benedenstrooms te beperken.

Ten zuiden van Vessem is in 2008 een hermeandering van de Kleine Beerze uitgevoerd. Tijdens de graafwerkzaamheden wordt het duidelijk dat het beekdal al heel een belangrijk leefgebied van de mens is geweest. Er worden een aantal archeologische vondsten gedaan zoals 10 bronzen bijlen op het grondgebied van Hoogeloon en een bronzen speer nabij de brug in Vessem. Ook komen resten van een brug uit de Romeinse tijd te voorschijn. Dat het beekdal in het verleden een belangrijke functie heeft gehad wordt ook duidelijk uit de kadasterkaart van 1832. In de Middeleeuwen vinden we hier vooral hooilanden. Dit vochtige gebied dat eigenlijk alleen in de zomer goed toegankelijk is voor de boeren, is bij uitstek geschikt voor hooiproductie. Boeren bezitten er lange, smalle percelen die vaak niet breder waren dan twee “geswaay”, de breedte die Middeleeuwse grasmaaiers in hun heen- en teruggang maaien. In de winter wordt het gebied weer teruggenomen door het water van de Kleine Beerze.
Plaatselijk, bijvoorbeeld ten oosten de buurtschap de Donk, kan deze wel honderden meters breed worden.

Steentijd in de Hooge Dorpen

Het zijn jagers en verzamelaars die zich het eerst vertonen in onze koude streken.

Vondsten in de Hooge Dorpen gaan terug naar het einde van de laatste ijstijd toen de eerste mensen zich in dit koude toendragebied waagden. Het zijn jagers en verzamelaars die voornamelijk van de jacht en visvangst leven. Als het klimaat milder wordt, en er loofbossen groeien, beginnen rond 3500 voor Christus de eerste boeren de grond te bewerken. De landbouw is geboren.

De bekendste Steentijd-vondsten in de Hooge Dorpen, in de tabel aangeduid met Federmesser en Ahrensburg, komen voor in de buurt van het Rouwven in Wintelre. De prehistorische jagers en verzamelaars hebben hier een van hun kampementen gehad. De vondsten zijn talrijk en aanleiding voor de archeologen Nico Arts en Jos Deeben om er een antropologische studie aan te wijden: “ Prehistorische jagers en verzamelaars te Vessem. Een model.”

Ook tijdens het mesolithicum of te wel de midden-Steentijd is het noorden van Wintelre weer een plaats voor kampementen van de jagers. Er zijn ook verspreide vondsten uit deze periode in Knegsel. Tijdens de neolitische periode begint men te boeren en is er sprake van permanente vestiging. Verspreide vondsten komen nu voor in alle drie de dorpen waarbij Knegsel opvalt door een hogere concentratie. Amateur archeoloog Kees Huybers verzamelt uit deze periode veel gereedschappen die op de Heemzolder te zien zijn.

Grafheuvels in de Hooge Dorpen

Grafheuvels zijn begraafplaatsen van voorname personen uit de Bronstijdsamenleving.

Op het einde van de ‘nieuwe Steentijd’, tijdens de periode van de ‘enkelgrafcultuur’ verschijnen er grafheuvels in ons landschap. Ook tijdens de daaropvolgende periode, de bronstijd worden grafheuvels gebruikt. Dit soort grafmonumenten die nog steeds in Knegsel te zien zijn, lijken bedoeld te zijn voor bijzondere leden van de samenleving. De boeren in die samenleving gaan in plaats van stenen werktuigen nu bronzen exemplaren gebruiken. Ook de bouw van boerderijen komt op een hoger niveau in die periode.

In de Hooge Dorpen liggen overal grafheuvels maar niet overal zijn ze gerestaureerd. In Knegsel vinden we een fraaie groep heuvels terug bij het voormalige Huismeer aan de weg naar Zandoerle. Zij werden in de midden-bronstijd aangelegd. Ook aan de Moormanlaan en het Bussereind (zie foto) liggen gerestaureerde grafheuvels.

Bij deze laatste een ring-wal heuvel met een diameter van 35 meter. Leden van de Hooge Dorpen hebben daar in 2002 leden meegeholpen bij het inmeten en restaureren van dit monument.

In de bronstijd maakt men gebruik van bronzen werktuigen. Er ontstaat een levendige handel in dit schaarse goed. Het bezit van bronzen bijlen verhoogt het prestige waardoor in de bronstijdgemeenschap een soort elitaire bovenlaag in de bevolking ontstaat die zich vooral bezighoudt met de handel in bronzen voorwerpen.

De bronstijdbewoners zijn landbouwers met een voor deze periode karakteristieke boerderijbouw. Deze boerderijen hebben we in de Hooge Dorpen nog niet aangetroffen.

Urnenvelden in de Hooge Dorpen

Tijdens de IJzertijd worden de crematieresten van de overledenen bijgezet in urnenvelden. Urnen uit deze periode zijn te zien op de Heemzolder.

Op het einde van de bronstijd verschijnen er plotseling urnenvelden in het landschap. Deze grafmonumenten zijn aanzienlijk kleiner van afmetingen dan hun bronstijdvoorgangers. Hun diameter is zo’n 5 á 8 meter. In de IJzertijd gebruiken de bewoners ijzeren gereedschap dat ze zelf uit ijzeroer kunnen vervaardigen. In Knegsel is een groot urnenveld onderzocht in 1936; de opgegraven urnen zijn deels op de Heemzolder te zien.

De IJzertijd vinden we terug tussen 850 en 50 jaar voor Christus. Het is een periode waarbij sprake is van een relatief sterke bevolkingsgroei. In de Hooge Dorpen liggen urnenvelden voornamelijk in Knegsel. De belangrijkste vindplaats in 1936 is de toenmalige Knegselse heide aan de weg naar Hoogeloon. Dank zij de oplettendheid van de toenmalige veldwachter Joosten kan hier in 1936 door archeoloog Braat een archeologisch onderzoek worden gedaan, dat uiteindelijk zo’n 80 urnen oplevert en een plattegrond van een groot grafveld. Enkele urnen met crematieresten zijn op de Heemzolder te bewonderen.

In 2002 ontdekt men vlakbij de bronstijdgrafheuvels van het Huismeer ook enkele urnenvelden. Het lijkt erop dat deze begraafplaats zowel in de bronstijd als in de IJzertijd in gebruik is geweest. Tenslotte wordt in het centrum van Knegsel op een bolle akker nabij de pastoor Eijckenweg in 1983 een proefsleuf opengelegd en geconstateerd dat er vierkante grafstructuren uit de late IJzertijd aanwezig zijn. De IJzertijd bewoners zijn landbouwers met een voor deze periode karakteristieke boerderijbouw. Boerderijen uit de IJzertijd hebben we in de Hooge Dorpen nog niet aangetroffen.

Boeren in de Romeinse tijd

Een inheems Romeinse nederzetting onder zorgcentrum ‘De Bolle Akker’.

Voordat het zorgcentrum ‘de Bolle Akker’ in Vessem aan de Flinkert wordt gebouwd, onderzoeken archeologen de bodem naar sporen van vroegere bewoners. Zij treffen een inheems Romeinse nederzetting aan die bestaat uit een vijftal woonstalhuizen met bijbehorende erven, een grote opslagruimte en een zevental kleine graanschuurtjes. De gevonden Romeinse nederzetting kan uit de 1ste eeuw na Christus gedateerd worden. Qua vorm, omvang en de aanwezigheid van middenstaanders vertonen de woonstalhuizen de karakteristieke eigenschappen van Romeinse huizen uit deze periode.

Gezien de ligging van de plattegronden zijn de huizen deels gelijktijdig en deels opeenvolgend aanwezig geweest. Op de erven worden zeven spiekers (kleine droogschuurtjes), een horreum (grotere opslagruimte voor graan en goederen) en een deel van een omheining gevonden. De spiekers worden door de boeren voor opslag van oogstproducten zoals graan of hooi gebruikt. Onder horreum wordt vaak een graanschuur naar romeins model verstaan. De boeren in de Romeinse tijd slaan hun graan vaak op een centrale plaats op. Waarschijnlijk strekt deze nederzetting zich nog verder uit in de richting van de Braak en de Kuilenhurk.

Gemeynt en Bolle Akkers

De heidevelden of woeste gronden die Vessem vroeger omringen, behoren tot het gemeynt De Groote Aard van Oerle. Deze gemeenschappelijke gebruikte gronden zijn voor de boeren van groot belang.

Strooisel en heideplaggen worden samen met stalmest op de akkers uitgereden zodat graanteelt mogelijk is. Het ploegen gebeurt perceelinwaarts, naar het midden van de akker, zodat de karakteristieke bolle akker ontstaat. De vanuit het midden glooiende akker wordt daardoor goed afgewaterd.

Het gemeynt wordt waarschijnlijk al heel lang door de boeren gebruikt, maar in de periode 1280-1400 vindt er een soort reglementering van dit gebruik plaats. De gronden worden door de hertogen van Brabant in bruikleen gegeven aan de inwoners van de dorpen. Voorwaarde is dat men zich houdt aan bepaalde regels. Zo mag men alleen in bepaalde delen van het gemeynt turf winnen, terwijl men in andere delen weer plaggen mag steken. Ook de houtkap en het gras en hei maaien zijn aan regels gebonden. Het vee van een dorp mag niet grazen in de zone die bedoeld is voor het andere dorp.

Zo ontstaat er in 1466 een conflict tussen de inwoners van Vessem en Wintelre, waarbij de Vessemnaren verzoeken de Wintelrese koeien te mogen “schutten” (op te sluiten), tot hun rechten weer erkend worden. De hertog Philips de Goede geeft de Vessemnaren gelijk, maar verhoogt tegelijkertijd de cijns.

In de bedrijfsvoering van de Middeleeuwse boer is het gebruik van strooisel en plaggen van het gemeynt samen met stalmest essentieel. Voor de teelt van rogge, boekweit, haver en andere gewassen is bemesting van de akkers noodzakelijk.

Op sommige bolle akkers in Vessem vindt men een zwarte, humusrijke laag van ruim een meter dik, opgebouwd over een periode van honderden jaren. Vanaf de zestiende eeuw wordt voor de mestproductie de potstal gebruikt. De koeien staan een hele winter in hun mest die er dan in het voorjaar wordt uitgehaald en over het land wordt uitgereden. In het pand Maaskant 3 is nog zien hoe zo’n potstal er uit ziet.

Middeleeuws Vessem

De Middeleeuwen zijn in Vessem nog volop aanwezig. Boerderijen uit de 11/12de eeuw zijn hebben gelegen op het huidige kerkplein. Het “hallenhuis” Maaskant 5 dateert uit 1390, terwijl de kerktoren uit 1500 of vroeger stamt.

De Leeuwerikhoeve is een vroege agrarische ontwikkeling in het buitengebied die vermoedelijk ook stamt uit de Middeleeuwen. Het dorp Vessem is waarschijnlijk ontstaan doordat boeren in de Middeleeuwen een kleine nederzetting stichtten. Uit het archeologisch onderzoek in 2003-2004 in de bouwputten van het nieuw te bouwen dorpshuis en de nieuwe school komen een aantal interessante vondsten naar boven waaronder 4 bootvormige boerderijen uit de 11/12de eeuw. Op deze plaats vlak bij de kerk ligt de oerkern van Vessem. (Om dit zichtbaar te maken is een afbeelding van de grondsporen in het plaveisel opgenomen en is er een bronzen plaat met uitleg voor D’n Boogerd geplaatst.) Naast de boerderijen staat er waarschijnlijk ook al een houten kerkje dat door het Oirschotse kapittel is gesticht.

Uitbreiding van het dorp vindt plaats doordat plaatselijke boeren nieuwe gronden ontginnen en zich daar gaan vestigen. Er ontstaan nieuwe buurtschappen zoals het Heike, de Donk en Meerven, Maaskant, Driehuizen en Lantie. Bij deze ontwikkeling past ook de bouw van het hallenhuis Maaskant 5 in 1390.

De dorpskern verschuift geleidelijk naar het noorden; de kerk blijft op zijn plaats aan de rand van het dorp.

Op het einde van de 15de eeuw wordt het oude kerkgebouw vervangen door een nieuw stenen gebouw. De toren van de huidige kerk stamt uit deze periode.

De Leeuwerikhoeve dicht bij de weg naar Wintelre lijkt een vroege poging te zijn om plaatselijk de heidegronden rondom Vessem te ontginnen. Rondom deze voormalige kampontginning liggen nu nog akkerwallen in de bossen.